Persoonlijke hulpmiddelen
  •  
U bent hier: Home Onderneming / instelling / vereniging De berekening van de heffing op de waterverontreiniging voor ondernemingen, instellingen, verenigingen,...
Document Acties

De berekening van de heffing op de waterverontreiniging voor ondernemingen, instellingen, verenigingen,...

Bij de berekening van de heffing op de waterverontreiniging wordt een onderscheid gemaakt tussen grootverbruikers en kleinverbruikers. Grootverbruikers verbruiken minstens 500 m≥ leidingwater per jaar en/of beschikken over een eigen waterwinning met een pompcapaciteit van minstens 5 m≥ per uur. Ondernemingen, instellingen, verenigingen en de meeste landbouwers vallen onder deze categorie. Ze zijn daardoor verplicht om jaarlijks vůůr 15 maart een aangifte in te dienen bij de VMM.

De heffing op de waterverontreiniging wordt berekend door het aantal vervuilingseenheden N (VE) te vermenigvuldigen met het eenheidstarief T:

H = N x T

Nieuwe wetgevingVanaf 1 januari 2013 wordt een financierende component aan de heffing op de waterverontreiniging toegevoegd voor bedrijven die hun afvalwater lozen op de riolering (de zgn. financierende heffing). De heffing op de waterverontreiniging houdt voortaan rekening met de verwerkbaarheid van het afvalwater op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI).

Via de onderstaande inhoudsopgave kunt u gemakkelijk de gewenste informatie raadplegen.

 


Een keuze tussen twee berekeningsmethodes

Voor de vaststelling van het aantal vervuilingseenheden kan elk bedrijf kiezen tussen een berekening op basis van meetgegevens van het geloosde afvalwater of een forfaitaire berekeningsmethode. Opgelet! De VMM kan overgaan tot een heffing op basis van meet- en bemonsteringsgegevens indien de nodige gegevens hiervoor beschikbaar zijn, ongeacht de door u gekozen berekeningsmethode.

Een berekening op basis van de werkelijk geloosde vuilvracht houdt in dat de kwaliteit en de kwantiteit van het geloosde afvalwater moeten worden vastgesteld.
De forfaitaire berekeningsmethode gebruikt sectorspecifieke omzettingscoŽfficiŽnten en het waterverbruik om de heffing te bepalen.

Top


De berekening op basis van meetgegevens van het geloosde afvalwater

Indien uw bedrijf voor een berekening op basis van de werkelijk geloosde vuilvracht (de uitgebreide berekeningsmethode) kiest, moet u in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op eigen initiatief uw afvalwater door een erkend laboratorium laten bemonsteren en analyseren. Dat moet in overeenstemming met de huidige regelgeving gebeuren. Op basis van de meetgegevens berekent de VMM dan de geloosde vuilvracht en de corresponderende heffing.

De VMM kan - in het kader van haar controlefunctie - het geloosde afvalwater ook (laten) bemonsteren. Bij het bepalen van de heffing kan de VMM uw bedrijfsgegevens aanvullen met haar analyses. De VMM-analyses geven uw bedrijf echter niet het recht om de uitgebreide berekeningsmethode te eisen.

De berekening op basis van de werkelijk geloosde vuilvracht wordt meestal gebruikt bij grote bedrijven die zelf investeren in een afvalwaterzuivering. 5 % van de bedrijven laat de heffing op deze manier berekenen. Die 5 % is wel verantwoordelijk voor 65 % van de heffingsopbrengst van de grootverbruikers.

Top


De berekeningsformule

De heffing op de waterverontreiniging wordt berekend door het aantal vervuilingseenheden N (VE) te vermenigvuldigen met het eenheidstarief T:

H = N x T

De vuilvracht (N) bij de uitgebreide berekening bestaat uit vier componenten:

Nieuwe wetgevingN = N1 + N2 + N3 + Nk + Nv

Met:

Door op de componenten door te klikken, krijgt u meer informatie over elke component.

N1: zuurstofbindende en zwevende stoffen (d.w.z. biochemisch en chemisch zuurstofverbruik en zwevende stoffen) in het geloosde water (VE)

De N1-component gaat over de zuurstofbindende (het biochemisch en chemisch zuurstofverbruik) en de zwevende stoffen in het geloosde water.

N1 = [Qd / 180] x [a + {0,35 x ZS / 500} + {(0,45 x (2 x BZV + CZV)) / 1.350}] x [0,40 + 0,60 x d]

Met:

  • N1 = vuilvracht veroorzaakt door het lozen van zuurstofbindende en zwevende stoffen (VE)
  • a = 0 voor oppervlaktewaterlozers; = 0,2 in alle andere gevallen
  • Qd = dagdebiet geloosd afvalwater (l)
  • ZS = concentratie aan zwevende stoffen (mg/l)
  • BZV = biologisch zuurstofverbruik (mg/l)
  • CZV = chemisch zuurstofverbruik (mg/l)
  • d = seizoensgebonden factor. Wanneer minder dan 225 kalenderdagen afvalwater geloosd wordt, is deze factor de deling tussen van het aantal dagen waarop afvalwater geloosd wordt en 225.

Bij de berekening van de vuilvracht worden de parameters van de N1-component gekoppeld aan het dagdebiet.

Alleen bemonsteringsgegevens uit de maand met de grootste bedrijvigheid (dus de grootste vervuiling) worden voor de N1-component meegerekend om de hoogte van de heffing te bepalen.

Op basis van de vastgestelde concentraties en het dagdebiet wordt per dag de N1-component berekend. Vervolgens wordt per maand de gemiddelde N1-waarde vastgesteld. Voor het berekenen van de heffing wordt enkel de maand met de hoogste N1-waarde meegerekend.

 

N2: zware metalen in het geloosde water (VE)

De N2-component gaat over de aanwezige zware metalen in het geloosde water.

N2 = Qj / 1.000 x [ 40 x (Hg) + 10 x (Ag + Cd) + 5 x (Zn + Cu) + 2 x (Ni)+ 1 x (Pb + As + Cr) ]

Met:

  • N2 = vuilvracht veroorzaakt door het lozen van zware metalen (VE)
  • Qj = jaarvolume afvalwater (m≥)
  • Hg, Ag, Cd, Zn, Cu, Ni, Pb, As, Cr = concentratie aan de verschillende zware metalen (mg/l)

Voor de N2-component worden alle geldige meetresultaten gebruikt om de vuilvracht te bepalen. De parameters van de component worden gekoppeld aan het jaarvolume afvalwater.

Bedrijven met een hoge N2-vuilvracht hebben er dus belang bij om naast de bemonsteringscampagne in de maand van grootste bedrijvigheid ook een of meerdere campagnes te plannen in andere periodes.

N3: nutriŽnten in het geloosde water (VE)

De N3-component gaat over de aanwezige nutriŽnten in het geloosde water.

N3 = Qj x (N + P) / 10.000

Met:

  • N3 = vuilvracht veroorzaakt door het lozen van nutriŽnten (VE)
  • Qj = jaarvolume afvalwater (m≥)
  • N, P = concentratie aan stikstof en fosfor (mg/l)

Voor de N3-component worden alle geldige meetresultaten gebruikt om de vuilvracht te bepalen. De parameters van de component worden gekoppeld aan het jaarvolume afvalwater.

Bedrijven met een hoge N3-vuilvracht hebben er bijgevolg alle belang bij om, naast de bemonsteringscampagne in de maand van grootste bedrijvigheid, ook een of meerdere campagnes te plannen in andere periodes.

Nk: koelwater (VE)

De Nk-component gaat over het thermisch verontreinigd koelwater.

Nk = K x 0,0004 x a

Met:

  • Nk = vuilvracht veroorzaakt door het lozen van thermisch belast koelwater (VE)
  • K = koelwatervolume (m≥)
  • a = 0,550

Nv: verwerkbaarheid van het geloosde afvalwater (negatieve of positieve VE)

Nieuwe wetgevingDe Nv-component gaat over de verwerkbaarheid in het geloosde afvalwater.

Nv = Ev – Kv

Met:

  • Nv = vuilvracht die gerelateerd is aan de verwerkbaarheid van het geloosde afvalwater (negatieve of positieve VE)

    Onder goed verwerkbaar afvalwater wordt verstaan afvalwater waarbij de gemiddelde samenstelling voldoet aan alle volgende voorwaarden:
    a) CZV/BZV kleiner dan of gelijk aan 4;
    b) BZV/N groter of gelijk aan 4;
    c) BZV/P groter of gelijk aan 25;
    d) BZV concentratie hoger dan of gelijk aan 100 mg/l.

    Onder complementair afvalwater wordt verstaan afvalwater waarbij de gemiddelde samenstelling voldoet aan alle volgende voorwaarden:
    a) CZV/BZV kleiner dan 2;
    b) BZV/N groter dan 8;
    c) BZV/P groter dan 40;
    d) BZV concentratie hoger dan 500 mg/l.

    De gemiddelde samenstelling is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen.
  • Ev = de extra verwerkingskosten voor de sanering van afvalwater dat niet goed verwerkbaar is.
    De term Ev is:
    į nul wanneer het afvalwater goed verwerkbaar of complementair is of voor de heffingsplichtigen waarvoor a = 0;
    į in alle andere gevallen gelijk aan:
                 Qdv x [0,45 x (4 x (BZVc - BZV)) + 0,35 x ZSp ] x (0,40 + 0,60 x d)
                 180               1.350                           500
    met:
    Qdv: het gemiddeld volume afvalwater (l).
    Het gemiddelde volume is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen.
    Indien enkel het jaarvolume afvalwater (Qj) beschikbaar is, wordt Qdv als volgt berekend:
                 Qdv = Qj x 1000
                             225*d
    BZVc: de gecorrigeerde BZV concentratie (mg/l), zodat het afvalwater voldoet aan de voorwaarden voor goed verwerkbaar afvalwater met uitzondering van de voorwaarde BZV/P groter of gelijk aan 25.
    BZVc is gelijk aan de maximale waarde uit de volgende reeks: 100, CZV/4, N x 4, BZV
    BZV: de gemiddelde biochemische zuurstofbehoefte (mg/l)
    CZV: de gemiddelde chemische zuurstofbehoefte (mg/l)
    N: de gemiddelde concentratie aan totale stikstof (mg/l)
    P: de gemiddelde concentratie aan totale fosfor (mg/l)
    Hierbij is de gemiddelde concentratie het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen.
    ZSp: de slibproductie (mg/l) ontstaan door de chemische precipitatie van het toe te voegen ijzerchloride wanneer de samenstelling van afvalwater niet voldoet aan de voorwaarde BZV/ P groter of gelijk aan 25.
    ZSp kan niet negatief zijn en wordt berekend als:
                 6,6 x (P - BZV)
                                25
    d: seizoensgebonden factor. Wanneer minder dan 225 kalenderdagen afvalwater geloosd wordt, is deze factor de deling tussen van het aantal dagen waarop afvalwater geloosd wordt en 225
  • Kv = de korting voor de sanering van complementair afvalwater
    De term Kv is:
    į nul wanneer het afvalwater niet complementair is of voor de heffingsplichtigen waarvoor a = 0
    į in alle andere gevallen gelijk aan:
                 Qdv x 0,45 x BZV x (0,40 + 0,60 x d)
                 180       1350
    met:
    Qdv: het gemiddeld volume afvalwater (l)
    Het gemiddelde volume is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen. Indien enkel het jaarvolume afvalwater (Qj) beschikbaar is, wordt Qdv als volgt berekend:
                 Qdv = Qj x 1000
                             225*d
    BZV: de gemiddelde biochemische zuurstofbehoefte (mg /).
    De gemiddelde concentratie is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen;
    d: seizoensgebonden factor. Wanneer minder dan 225 kalenderdagen afvalwater geloosd wordt, is deze factor de deling tussen van het aantal dagen waarop afvalwater geloosd wordt en 225

Top


De grondslag voor de berekening van uw heffing

Uit de componenten van de berekeningsformule blijkt dat bij de berekening van de heffing op basis van meet- en bemonsteringsgegevens het afvalwatervolume, de lozingsplaats en de verwerkbaarheid van het afvalwater de hoogte van de heffing bepalen.

Top


Lozingsplaats

Er geldt een andere grondslag voor oppervlaktewaterlozers en niet-oppervlaktewaterlozers. De a-factor is namelijk enkel voor oppervlaktewaterlozers gelijk aan 0. In alle andere gevallen is deze factor gelijkgesteld aan 0,2. Behoort uw bedrijf tot de categorie niet-oppervlaktewaterlozer, dan verhoogt de N1-component een factor (0,2 x Qd)/180.

Top


Afvalwatervolume

Ook het afvalwatervolume bepaalt, samen met de aanwezige verontreinigende stoffen, de hoogte van de heffing. Om de door u opgegeven afvalwatervolumes te verifiŽren, vraagt de VMM via uw aangifte ook de waterverbruiken per waterbron op en controleert die ook. Het waterverbruik is trouwens dikwijls de basis om het afvalwatervolume te bepalen.

Het jaarlijks afvalwatervolume (Qj) wordt bij voorkeur gemeten via een continue debietsregistratie. Het dagdebiet moet tijdens een bemonsteringscampagne via een continu werkend debietregistratiesysteem vastgesteld worden. Is het dagdebiet niet gekend, dan stelt de VMM het dagdebiet gelijk aan het quotiŽnt van het jaarvolume afvalwater en het aantal lozingsdagen.

Indien het afvalwatervolume (Qj) niet gemeten werd, wordt het volume berekend op basis van de som van:

het leidingwaterverbruik;

Het leidingwaterverbruik bij de forfaitaire berekeningsmethode wordt bepaald op basis van de factuurgegevens die de drinkwatermaatschappij u stuurde in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.

Dit betekent bijvoorbeeld dat het leidingwaterverbruik vermeld op de facturen die de drinkwatermaatschappij in 2012 opmaakte, in rekening gebracht zullen worden voor de heffing 2013 en dit ongeacht de periode van verbruik. Indien u dus op 1 juli 2012 een factuur kreeg van de drinkwatermaatschappij voor een verbruik van 1.000 m≥ in de periode van 1 mei 2011 tot 30 juni 2012, wordt voor de heffing 2013 een verbruik van 1.000 m≥ in rekening gebracht.

Bij de uitgebreide berekeningsmethode moet u de geleverde hoeveelheid drinkwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in rekening brengen.

het grondwaterverbruik;

HHet grondwater dat in het voorbije jaar verbruikt werd, wordt bepaald met een continue debietsregistratie. De debietsregistratie is verplicht.

Indien u geen debietsregistratiesysteem heeft, wordt de vergunde hoeveelheid grondwater (uitgedrukt in m≥/jaar) genomen. Als uw vergunning enkel dagdebieten vermeldt, wordt het vergund dagdebiet (m≥/dag) vermenigvuldigd met 220 of, in het geval van seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur, het reŽle aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik is geweest.

Indien u geen debietsregistratiesysteem heeft, u geen vergunning hebt of de vergunning het vergunde debiet niet vermeldt, wordt het grondwaterverbruik per pomp gelijkgesteld aan het product van het nominaal pompvermogen (uitgedrukt in m≥/uur) en de factor T. Met T:

  • = 200 voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit;
  • = 10 x het reŽle aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur;
  • = 2.000 in de overige gevallen.

het oppervlaktewaterverbruik;

Het oppervlaktewater dat in het voorbije jaar verbruikt werd, wordt bij voorkeur bepaald met een continue debietsregistratie.

Indien u geen debietsregistratiesysteem heeft, wordt de hoeveelheid gelijkgesteld aan het gecapteerde volume water dat in aanmerking wordt genomen voor de oppervlaktewatercaptatieheffing.

Indien u geen debietsregistratiesysteem heeft en geen captatieheffing ontvangen heeft, wordt de hoeveelheid oppervlaktewater gelijkgesteld aan het product van het nominaal pompvermogen (uitgedrukt in m≥/uur) en de factor T. Met T:

  • = 200 voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit;
  • = 10 x het reŽle aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur;
  • = 2.000 in de overige gevallen.

het hemelwaterverbruik;

Het heffingsplichtige hemelwater is:

  • het hemelwater dat op een vervuild bedrijfsterrein valt en waarvoor:
    • of een vergunning voor het lozen van vervuild hemelwater werd afgeleverd;
    • of een proces-verbaal wegens onvergunde lozing werd opgesteld;
  • het hemelwater dat wordt gebruikt in het productieproces.
  • het hemelwater dat samen met het afvalwater geloosd wordt

Het hemelwater dat in het voorbije jaar verbruikt werd, wordt bij voorkeur vastgesteld met een continue debietsregistratie. Als u geen dergelijk systeem heeft, wordt de hoeveelheid gelijkgesteld aan 0,8 m≥/m≤ afspoelbare of vervuilde oppervlakte. Wanneer u kunt aantonen met gegevens van het KMI dat de lokale neerslag in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar lager was, wordt dat lagere volume gebruikt.

en verminderd met de hoeveelheid koelwater die niet samen met het afvalwater wordt geloosd.

Het koelwatervolume (K) gaat over het vergunde koelwatervolume, tenzij het bedrijf met een debietmeting kan bewijzen dat de werkelijk geloosde hoeveelheid koelwater kleiner is.

Als het koelwater samen met het bemonsterde afvalwater wordt geloosd, wordt het beschouwd als bedrijfsafvalwater.
Niet vergund koelwater valt onder de sector 55 'niet hoger vermelde bedrijfsactiviteiten' of onder de bedrijfssector als dat leidt tot een lagere heffing.

Als de geloosde hoeveelheid koelwater groter is dan het vergunde volume, wordt de heffing op het niet-vergunde gedeelte van het koelwater verrekend onder sector 55 of onder de bedrijfssector als dat resulteert in een lagere heffing.


Alle vormen van waterverbruik, zoals het gebruik van grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en ander water, uitgezonderd het gebruik van leidingwater, kan ook samengevat worden onder de term 'waterverbruik uit eigen waterwinning'.

Hier krijgt u nog een voorbeeld waarbij de heffing berekend wordt op basis van meet- en bemonsteringsgegevens.

Top


Nieuwe wetgeving
Verwerkbaarheid

Afhankelijk van de samenstelling van het geloosde afvalwater wordt een onderscheid gemaakt tussen complementair, goed verwerkbaar en slecht verwerkbaar afvalwater. De vuilvracht wordt in functie van de verwerkbaarheid van het afvalwater verhoogd of verlaagd.

Voor de heffingsjaren 2013 en 2014 wordt de component Nv vermenigvuldigd met 0; voor het heffingsjaar 2015 met 0,33; voor het heffingsjaar 2016 met 0,66; voor de heffingsjaren 2017 en volgende met 1.

Top


De voorwaarden voor meet- en bemonsteringscampagnes

Als uw bedrijf kiest voor de uitgebreide berekeningsmethode, moet een erkend laboratorium uw afvalwater meten en analyseren. De voorwaarden waaraan een monstername moet voldoen, staan in het Besluit van 28 juni 2002. Enkel meet- en bemonsteringsgegevens over het geloosde afvalwater/opgenomen oppervlaktewater uit het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar en die volgens het uitvoeringsbesluit werden bekomen, komen in aanmerking voor de berekening van de heffing.

De voorwaarden zijn:

  • uiterlijk 10 werkdagen voor het begin van de maand waarin de bemonsteringen uitgevoerd zullen worden, moet u de bemonsteringscampagne schriftelijk melden aan de VMM. VMM beantwoordt uw melding altijd met een ontvangstmelding;
  • de bemonstering van het afvalwater en de analyse van de monsters moeten door hetzelfde erkende laboratorium gebeuren;
  • de bemonstering van het afvalwater moet minstens in de maand met de hoogste bedrijvigheid gebeuren. De bemonstering moet gedurende drie (als de laatste heffing kleiner is dan 12.500 euro) of vijf (als de laatste heffing groter is dan 12.500 euro) opeenvolgende etmalen met normale productieactiviteit gebeuren. Alle parameters moeten bovendien per etmaal volledig zijn.
  • u moet de analysegegevens van de monsters en de eventuele tegenmonsters binnen de dertig werkdagen na de eerste dag van de monstername aan de VMM meedelen met een meldingsformulier (zie 'Formulieren'). De contra-analyses moeten ook per etmaal volledig zijn voor alle parameters.
    Het laten analyseren van tegenstalen volstaat echter niet om aanspraak te kunnen maken op de uitgebreide berekeningsmethode.
  • u moet de meet- en bemonsteringsresultaten bij uw aangifte voegen.

De opgesomde voorwaarden gelden ook voor de bemonsteringen van het opgenomen oppervlaktewater. Een schepmonster van het opgenomen oppervlaktewater, genomen tijdens de bemonsteringscampagne van het geloosde afvalwater, volstaat.

De bemonsteringscampagnes die de VMM ter controle kan uitvoeren, moeten ook aan deze voorwaarden voldoen, met uitzondering van de voorafgaande melding.

Top


Wanneer krijgt u een nullozersstatuut?

Wanneer vanuit het productieproces van uw bedrijf geen afvalwater geloosd wordt, krijgt uw bedrijf het statuut van 'nullozer'. Uw bedrijf moet wel aan de volgende criteria voldoen:

  • de niet-lozing moet een feit zijn op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;
  • op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar mag uw bedrijf geen milieu- of lozingsvergunning (meer) hebben voor ander dan normaal huishoudelijk afvalwater en/of koelwater;
  • u moet de nullozing kunnen bewijzen met een dossier van een erkend milieudeskundige. Dat dossier moet u bij uw aangifte voegen. De lijsten van de erkende m.e.r.-deskundigen in de discipline water vindt u op de website van het departement LNE.
  • de bevoegde administratie mag in de loop van dat jaar geen lozingen uit het productieproces vastgesteld hebben.

Ook bedrijven die geen afvalwater uit hun productieproces lozen, maar wel sanitair afvalwater en/of koelwater lozen, komen in aanmerking voor het statuut van nullozer. Ze betalen enkel een heffing op hun sanitair waterverbruik en/of koelwater.

Top


Wanneer kunt u de opgenomen vuilvracht uit oppervlaktewater in mindering brengen?

Bedrijven die hun afvalwater - geheel of gedeeltelijk - lozen in hetzelfde oppervlaktewater als dat waaruit ze hun water halen, kunnen de opgenomen vuilvracht in mindering brengen. De voorwaarden zijn wel dat:

  • zowel het afvalwater als het opgenomen oppervlaktewater bemonsterd wordt op initiatief van het bedrijf;
  • de meet- en bemonsteringen gebeuren volgens de geldende wetgeving.

De formule voor de berekening van de opgenomen vuilvracht No is, met uitzondering van de a-factor uit de N1-formule, gelijk aan die van de geloosde vuilvracht:

No = N1,o + N2,o + N3,o

Met:

  • N1,o = [Qd,o / 180] x [{0,35 x ZSo / 500} + {(0,45 x (2 x (BZVo + CZVo)) / 1.350}] x [0,40 + 0,60xd]
  • N2,o = Qj,o / 1.000 x [40 x (Hgo) + 10 x (Ago + Cdo) + 5 x (Zno + Cuo) + 2 x (Nio) + 1 x (Pbo + Aso + Cro)]
  • N3,o = Qj,o x (No + Po) / 10.000

En:

  • N1,o = vuilvracht door het opnemen van zuurstofbindende (BOD, COD) en zwevende stoffen (VE)
  • N2,o = vuilvracht door het opnemen van zware metalen (kwik, zilver, cadmium, zink, lood, koper, nikkel, chroom, arseen) (VE)
  • N3,o = vuilvracht door het opnemen van nutriŽnten (N en P) (VE)
  • Qd,o = dagdebiet opgenomen oppervlaktewater (l)
  • ZSo = concentratie zwevende stoffen (mg/l)
  • BZVo = biologisch zuurstofverbruik (mg/l)
  • CZVo = chemisch zuurstofverbruik (mg/l)
  • Qj,o = jaarvolume opgenomen oppervlaktewater (m≥)
  • Hgo - Ago - Cdo - Zno - Cuo - Nio - Pbo - Aso - Cro = concentratie aan de verschillende zware metalen (mg/l)
  • No = concentratie stikstof (mg/l)
  • Po = concentratie fosfor (mg/l)

De aftrek van de opgenomen vuilvracht wordt per component beperkt tot de geloosde vuilvracht.

Top


Wat gebeurt er wanneer uw vuilvracht tijdens het jaar vermindert?

Bedrijven die in de loop van het jaar maatregelen nemen (bv. een investering in een milieuvriendelijker productieproces of een zuiveringsinstallatie) om hun geloosde vuilvracht blijvend te verminderen en dat kunnen bewijzen, kunnen een vermindering krijgen van de heffing. Het Programmadecreet van 22 december 2000 regelt namelijk dat voor dergelijke bedrijven de heffing evenredig opgesplitst wordt.

Het bewijs kunt u leveren door metingen uit te voeren op het afvalwater geloosd in de periode voor en na het doorvoeren van de aanpassing. U moet de geplande maatregelen ook tijdig (= minstens een maand voor het doorvoeren van de wijziging) schriftelijk aan de VMM melden.

Bedrijven die hun afvalwater enkel in de periode voor de realisatie van de maatregelen laten analyseren, krijgen geen opsplitsing.
Bedrijven die hun afvalwater enkel na de realisatie van de vuilvrachtvermindering laten analyseren, krijgen wel een opsplitsing van de heffingsberekening. Ze krijgen een forfaitaire berekening voor de periode voor de aanpassing en een berekening op basis van analyses voor de periode na de aanpassing..

Top


De forfaitaire berekening

Bedrijven die voor de forfaitaire berekeningsmethode kiezen, moeten in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen specifieke acties ondernemen. De forfaitaire berekeningsmethode maakt, om de vervuilingseenheden (N) te bepalen, immers gebruik van activiteitsgebonden omzettingscoŽfficiŽnten. Die worden gekoppeld aan het waterverbruik en (afhankelijk van de sector) eventueel aan de productiegegevens. Of de productiegegevens al dan niet van belang zijn voor de berekening van de heffing is afhankelijk van de grondslag waarop de omzettingscoŽfficiŽnt betrekking heeft. De grondslag duidt ook de eenheid aan waarin de productiegegevens uitgedrukt moeten worden.

Voor 95 % van de bedrijven wordt de heffing op deze manier berekend. Het gaat meestal om bedrijven die hun afvalwater niet zelf zuiveren of om bedrijven die geen sterk vervuilende activiteiten hebben.

Top


Nieuwe wetgeving

De grondslag voor de berekening van uw heffing

Bij de berekening van de heffing op een forfaitaire basis bepalen het waterverbruik, eventueel de productiegegevens en de verwerkbaarheid de hoogte van de heffing.

Top


Waterverbruik

Wanneer u kiest voor de forfaitaire berekeningsmethode is het waterverbruik de heffingsgrondslag en niet het geloosde afvalwatervolume.

Het waterverbruik (Q) wordt berekend op basis van de som van:

het leidingwaterverbruik;

Het leidingwaterverbruik bij de forfaitaire berekeningsmethode wordt bepaald op basis van de factuurgegevens die de drinkwatermaatschappij u stuurde in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.

Dit betekent bijvoorbeeld dat het leidingwaterverbruik vermeld op de facturen die de drinkwatermaatschappij in 2012 opmaakte, in rekening gebracht zullen worden voor de heffing 2013 en dit ongeacht de periode van verbruik. Indien u dus op 1 juli 2012 een factuur kreeg van de drinkwatermaatschappij voor een verbruik van 1.000 m≥ in de periode van 1 mei 2011 tot 30 juni 2012, wordt voor de heffing 2013 een verbruik van 1.000 m≥ in rekening gebracht.

Bij de uitgebreide berekeningsmethode moet u de geleverde hoeveelheid drinkwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in rekening brengen.

het grondwaterverbruik;

Het grondwater dat in het voorbije jaar verbruikt werd, wordt bepaald met een continue debietsregistratie. De debietsregistratie is trouwens verplicht.

Indien u geen debietsregistratiesysteem heeft, wordt de vergunde hoeveelheid grondwater (uitgedrukt in m≥/jaar) genomen. Als uw vergunning enkel dagdebieten vermeldt, wordt het vergund dagdebiet (m≥/dag) vermenigvuldigd met 220 of, in het geval van seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur, het reŽle aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik is geweest.

Indien u geen debietsregistratiesysteem heeft, u geen vergunning hebt of de vergunning het vergunde debiet niet vermeldt, wordt het grondwaterverbruik per pomp gelijkgesteld aan het product van het nominaal pompvermogen (uitgedrukt in m≥/uur) en de factor T. Met T:

  • = 200 voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit;
  • = 10 x het reŽle aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur;
  • = 2.000 in de overige gevallen.

het oppervlaktewaterverbruik;

Het oppervlaktewater dat in het voorbije jaar verbruikt werd, wordt bij voorkeur bepaald met een continue debietsregistratie.

Indien u geen debietsregistratiesysteem heeft, wordt de hoeveelheid gelijkgesteld aan het gecapteerde volume water dat in aanmerking wordt genomen voor de oppervlaktewatercaptatieheffing.

Indien u geen debietsregistratiesysteem heeft en geen captatieheffing ontvangen heeft, wordt de hoeveelheid oppervlaktewater gelijkgesteld aan het product van het nominaal pompvermogen (uitgedrukt in m≥/uur) en de factor T. Met T:

  • = 200 voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit;
  • = 10 x het reŽle aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur;
  • = 2.000 in de overige gevallen.

het hemelwaterverbruik en

Het heffingsplichtige hemelwater is:

  • het hemelwater dat op een vervuild bedrijfsterrein valt en waarvoor:
    • of een vergunning voor het lozen van vervuild hemelwater werd afgeleverd;
    • of een proces-verbaal wegens onvergunde lozing werd opgesteld;
  • het hemelwater dat wordt gebruikt in het productieproces.
  • het hemelwater dat samen met het afvalwater geloosd wordt

Het hemelwater dat in het voorbije jaar verbruikt werd, wordt bij voorkeur vastgesteld met een continue debietsregistratie. Als u geen dergelijk systeem heeft, wordt de hoeveelheid gelijkgesteld aan 0,8 m≥/m≤ afspoelbare of vervuilde oppervlakte. Wanneer u kunt aantonen met gegevens van het KMI dat de lokale neerslag in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar lager was, wordt dat lagere volume gebruikt.

verminderd met het koelwater.

Het koelwatervolume (K) gaat over het vergunde koelwatervolume, tenzij het bedrijf met een debietmeting kan bewijzen dat de werkelijk geloosde hoeveelheid koelwater kleiner is.

Als het koelwater samen met het bemonsterde afvalwater wordt geloosd, wordt het beschouwd als bedrijfsafvalwater.
Niet vergund koelwater valt onder de sector 55 'niet hoger vermelde bedrijfsactiviteiten' of onder de bedrijfssector als dat leidt tot een lagere heffing.

Als de geloosde hoeveelheid koelwater groter is dan het vergunde volume, wordt de heffing op het niet-vergunde gedeelte van het koelwater verrekend onder sector 55 of onder de bedrijfssector als dat resulteert in een lagere heffing.


Alle vormen van waterverbruik, zoals het gebruik van grondwater, oppervlaktewater, regen-/hemelwater en ander water, uitgezonderd het gebruik van leidingwater, kan ook samengevat worden onder de term 'waterverbruik uit eigen waterwinning'.

Top


Productiegegevens

Of de productiegegevens al dan niet van belang zijn voor de berekening van de heffing is afhankelijk van de grondslag van de omzettingscoŽfficiŽnt. De grondslag duidt de eenheid aan waarin de productiegegevens uitgedrukt moeten worden.

Hier krijgt u een voorbeeld ter verduidelijking.

Een groentewasserij verwerkt enkel wortelen. Het bedrijf behoort tot sector 20 'groentewasserijen' met als grondslag 10.000 kg wortelen en 1.000 kg zilveruien. Bij het berekenen van de heffing moet het aantal wortelen uitgedrukt worden in kg (bv. 10.000 kg wortelen). De grondslag A/B wordt dan 10.000 kg wortelen/1.000 kg wortelen.

Top


Nieuwe wetgeving
Verwerkbaarheid

Afhankelijk van de samenstelling van het geloosde afvalwater wordt een onderscheid gemaakt tussen complementair, goed verwerkbaar en slecht verwerkbaar afvalwater. De vuilvracht wordt in functie van de verwerkbaarheid van het afvalwater verhoogd of verlaagd.

Voor de heffingsjaren 2013 en 2014 wordt de component Nv vermenigvuldigd met 0; voor het heffingsjaar 2015 met 0,33; voor het heffingsjaar 2016 met 0,66; voor de heffingsjaren 2017 en volgende met 1.

Top


De berekeningsformules

De berekening op basis van waterverbruik zonder koelwater

Deze berekeningswijze wordt toegepast voor de bedrijven die tot de sectoren 3, 4, 6, 7,  8a, 8b, 9, 12, 13, 15, 18, 19a, 19b, 21a, 21b, 23, 24, 25, 26, 27, 28a, 28b, 28c, 28d, 28e, 32, 33, 36, 38, 39, 40, 41, 45, 46, 49, 50, 51a, 51b, 53a, 53b,  54, 55, 56, 57, 58 of 59 behoren. Ze mogen ook geen vergunning voor het lozen van koelwater hebben.

H = N x T

Met:

  • H = heffingsbedrag in euro
  • T = eenheidstarief (euro/VE)
  • N = vuilvracht (VE)
Daarbij is N = [Q x (C1 + C2 + C3 + Cv)] = N1 + N2 + N3 + Nv

Met:

  • Q = waterverbruik (m≥)
  • C1, C2, C3, Cv = omzettingscoŽfficiŽnt

Hier krijgt u een voorbeeld voor de berekening van de heffing 2013.

Een hotel heeft op 1 juli 2012 een factuur gekregen van de drinkwatermaatschappij voor een verbruik van 3.000 m≥ in de periode van 1 mei 2011 tot 30 juni 2012. Daarnaast heeft het hotel in 2011 1.000 m≥ grondwater opgepompt.

Het totale waterverbruik (Q) bedraagt dan 3.000 m≥ leidingwater + 1.000 m≥ grondwater = 4.000 m≥ water.

De activiteit ‘hotel’ behoort tot sector 21a. De omzettingscoŽfficiŽnt voor deze sector bedraagt: C1+C2+C3+Cv = 0,02 + 0,001+ 0,009+ 0.

De vuilvracht (N) voor het heffingsjaar 2013 is bijgevolg gelijk aan 4.000 m≥ x 0,03 = 120 VE.

De heffing 2013 (H) bedraagt:

  • voor oppervlaktewaterlozers: 120 VE x 33,64 euro/VE = 4.036,80 euro;
  • voor niet-oppervlaktewaterlozers (onder andere rioollozers en diffuse lozers): 120 VE x 43,89 euro/VE = 5.266,80 euro.

Top


De berekening op basis van waterverbruik met koelwater

Deze berekeningswijze wordt toegepast voor de bedrijven die tot de sectoren 3, 4, 6, 7,8a, 8b, 9, 12, 13, 15, 18, 19a, 19b, 21a, 21b, 23, 24, 25, 26, 27, 28a, 28b, 28c, 28d, 28e, 32, 33, 36, 38, 39, 40, 41, 45, 46, 49, 50, 51a, 51b, 53a, 53b, 54, 55, 56, 57, 58 of 59 behoren. Ze hebben een vergunning voor het lozen van koelwater.

H = N x T

Met:

  • H = heffingsbedrag in euro
  • T = eenheidstarief (euro/VE)
  • N = vuilvracht (VE)
Daarbij is N = [(Q - K) x (C1 + C2 + C3 + Cv)] + [ak (K x 0,0004)] = N1 + N2 + N3 + Nv + Nk

Met:

  • Q = waterverbruik (m≥)
  • K = koelwatervolume (m≥)
  • C1, C2, C3, Cv = omzettingscoŽfficiŽnt
  • ak = 0,550

Hier krijgt u een voorbeeld voor de berekening van de heffing 2013.

Een elektriciteitscentrale heeft op 1 juli 2012 een factuur gekregen van de drinkwatermaatschappij voor een verbruik van 3.000 m≥ in de periode van 1 mei 2011 tot 30 juni 2012. Daarnaast heeft de elektriciteitscentrale in 2008 1.000 m≥ grondwater opgepompt en een koelwaterverbruik van 2.000 m≥.

Het totale waterverbruik (Q) bedraagt dan 3.000 m≥ leidingwater + 1.000 m≥ grondwater = 4.000 m≥ water. Het koelwatervolume (K) bedraagt 2.000 m≥.

De activiteit elektriciteitscentrale behoort tot sector 12. De omzettingscoŽfficiŽnt voor deze sector bedraagt: C1+C2+C3+Cv = 0,02 + 0,002 + 0,009 + 0,008.

De vuilvracht (N) voor het heffingsjaar 2013 is bijgevolg gelijk aan N1 + N2 + N3 + Nv + Nk = (2.000 m≥ x 0,02) + (2.000 m≥ x 0,002) + (2.000 m≥ x0,009) + (2.000 m≥ x 0,008 x 0) + (0,550 x 2.000 m≥ x 0,0004) = 62,44 VE

De heffing 2013 (H) bedraagt:

  • voor oppervlaktewaterlozers: 62,44 VE x 33,64 euro/VE = 2.100,48 euro;
  • voor niet-oppervlaktewaterlozers (onder andere rioollozers en diffuse lozers): 62,44 VE x 43,89 euro/VE = 2.740,49 euro.

Top


De berekening op basis van waterverbruik en productiegegevens zonder koelwater

Deze berekeningswijze wordt toegepast voor de bedrijven die tot de sectoren 1, 2, 5a, 5b, 10, 11, 14, 16, 17, 20, 22a, 22b, 22c, 22d, 22e, 29, 30, 31, 34, 35, 37, 42, 43, 44, 47, 48, 52 behoren. Ze mogen geen vergunning hebben voor het lozen van koelwater.

H = N x T

Met:

  • H = heffingsbedrag in euro
  • T = eenheidstarief (euro/VE)
  • N = vuilvracht (VE)
Daarbij is N = [(A / B) x C1] + [Q x (C2 + C3 + Cv)] = N1 + N2 + N3 + Nv

Met:

  • Q = waterverbruik (m≥)
  • A/B = productie (grondslag)
  • C1, C2, C3, Cv = omzettingscoŽfficiŽnt

Hier krijgt u een voorbeeld voor de berekening van de heffing 2013.

Een bierbrouwerij heeft op 1 juli 2012 een factuur gekregen van de drinkwatermaatschappij voor een verbruik van 3.000 m≥ in de periode van 1 mei 2011 tot 30 juni 2012. Daarnaast heeft het bedrijf in 2012 1.000 m≥ grondwater opgepompt. De fabriek heeft in 2012 100.000 kg bier geproduceerd.

Het totale waterverbruik (Q) bedraagt dan 3.000 m≥ leidingwater + 1.000 m≥ grondwater = 4.000 m≥ water.

De activiteit bierbrouwerij  behoort tot sector 5a. De omzettingscoŽfficiŽnt voor deze sector bedraagt:

  • C1 = 1,33 (grondslag 1.000 kg bier)
  • C2 = 0,001 (grondslag m≥ water)
  • C3 = 0,009 (grondslag m≥ water)
  • Cv = 0 (grondslag m≥ water)

De vuilvracht (N) is voor het heffingsjaar 2013 bijgevolg gelijk aan ((100.000 kg / 1.000 kg) x 1,33) + (4.000 m≥ x 0,001) + (4.000 m≥ x 0,009) + (4.000 m≥ x0 x0) = 173 VE.

De heffing 2013 (H) bedraagt:

  • voor oppervlaktewaterlozers: 173 VE x 33,64 euro/VE = 5.819,72 euro;
  • voor niet-oppervlaktewaterlozers (onder andere rioollozers en diffuse lozers): 173 VE x 43,89 euro/VE = 7.592,97 euro.

Top


De berekening op basis van waterverbruik en productiegegevens met koelwater

Deze berekeningswijze wordt toegepast voor de bedrijven die tot de sectoren 1, 2, 5a, 5b, 10, 11, 14, 16, 17, 20, 22a, 22b, 22c, 22d, 22e, 29, 30, 31, 34, 35, 37, 42, 43, 44, 47, 48, 52 behoren. Ze hebben een vergunning voor het lozen van koelwater.

H = N x T

Met:

  • H = heffingsbedrag in euro
  • T = eenheidstarief (euro/VE)
  • N = vuilvracht (VE)
Daarbij is N = [(A / B) x C1] + [(Q - K) x (C2 + C3 + Cv)] + [ak (K x 0,0004)]

Met:

  • Q = waterverbruik (m≥)
  • A/B = productie (grondslag)
  • K = koelwatervolume (m≥)
  • C1, C2, C3, Cv= omzettingscoŽfficiŽnt
  • ak = 0,550

Hier krijgt u een voorbeeld voor de berekening van de heffing 2013.

Een bierbrouwerij heeft op 1 juli 2012 een factuur gekregen van de drinkwatermaatschappij voor een verbruik van 3.000 m≥ in de periode van 1 mei 2011 tot 30 juni 2012. Daarnaast heeft het bedrijf in 2012 1.000 m≥ grondwater opgepompt. De fabriek heeft in 2012 100.000 kg bier geproduceerd.

Het totale waterverbruik (Q) bedraagt dan 3.000 m≥ leidingwater + 1.000 m≥ grondwater = 4.000 m≥ water. Het koelwatervolume (K) bedraagt 2.000 m≥.

De activiteit bierbrouwerij behoort tot sector 5a. De omzettingscoŽfficiŽnt voor deze sector bedraagt:

  • C1 = 1,33 (grondslag 1.000 kg bier)
  • C2 = 0,001 (grondslag m≥ water)
  • C3 = 0,009 (grondslag m≥ water)
  • Cv = 0 (grondslag m≥ water)

De vuilvracht (N) is dus gelijk aan ((100.000 kg / 1.000 kg) x 1,33) + (( 2.000 m≥ x 0,001) + (2.000 m≥ x 0,009) + (2.000 m≥ x 0 x 0 ))+ (2.000 m≥ x 0,0004 x 0,550) = 153,44 VE.

De heffing 2013 (H) bedraagt:

  • voor oppervlaktewaterlozers: 153,44 VE x 33,64 euro/VE = 5.161,72 euro;
  • voor niet-oppervlaktewaterlozers (onder andere rioollozers en diffuse lozers): 153,44 VE x 43,89 euro/VE = 6.734,48 euro.

Top


Nieuwe wetgeving

De omzettingscoŽfficiŽnten

De activiteit van het bedrijf bepaalt met welke omzettingscoŽfficiŽnten het waterverbruik en eventueel de productiegegevens vermenigvuldigd worden. Hoe meer vervuiling de bedrijfstak veroorzaakt, hoe hoger de coŽfficiŽnten en hoe hoger de heffing.

De wetgever bepaalt de omzettingcoŽfficiŽnten voor een aantal specifieke sectoren. Sector 55 omvat alle bedrijfsactiviteiten die niet thuishoren in een specifiek omschreven bedrijfsactiviteit. Sector 56 gaat uitsluitend over huishoudelijke activiteiten. Sector 59 gaat over het sanitair afvalwater.

De omzettingscoŽfficiŽnten van de sectoren 7, 19a, 19b, 39, 41, 45, 49, 51a, 53a en 53b werden aangepast op basis van een wetenschappelijk onderbouwde methodologie. De grondslag werd eveneens gewijzigd.

Bij wijze van overgangsmaatregel wordt voor deze sectoren de vuilvracht N1 verminderd met:

[(N1 + N2 + N3 + Nk)oc – (N1 + N2 + N3 + Nk)oc,2012] x B

Waarbij:

  • (N1+N2+N3+Nk)oc: de vuilvracht voor het heffingsjaar waarvoor de heffing berekend wordt;
  • (N1+N2+N3+Nk)oc,2012: de vuilvracht bepaald volgens de berekening van het heffingsjaar 2012

  • B is een overgangscoŽfficiŽnt die gelijk is aan:
    • 1 voor de heffingsjaren 2013 en 2014;
    • 0,66 voor het heffingsjaar 2015;
    • 0,33 voor het heffingsjaar 2016.
    • 0 voor het heffingsjaar 2017 en volgende jaren.

De C1, C2, C3, Cv - waarden zijn per sector terug te vinden in de tabel omzettingscoŽfficiŽnten.

Top


Te betalen bedrag

De berekende heffing op basis van de forfaitaire of uitgebreide berekening wordt verminderd  met de bovengemeentelijke saneringsbijdrage en vergoeding, exclusief BTW, aangerekend door de watermaatschappij.

Een overzicht van de bedragen die in mindering worden gebracht van de te betalen heffing, vindt u terug op de berekeningsnota die u samen met het heffingsbiljet ontvangt.
Bij wijze van overgangsmaatregel wordt de heffing 2014 voor heffingsplichtigen die in 2014 een bovengemeentelijke saneringsvergoeding aangerekend krijgen door de watermaatschappij, verminderd met:

de m≥ eigenwaterwinning x de vrijgestelde vervuiling (VE/m≥) x 44,25 §/VE

waarbij:

  • de m≥ eigenwaterwinning = de som van de gedurende 2013 ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en ander water
  • de vrijgestelde vervuiling = de vuilvracht N - Nk voor de heffing 2014 gedeeld door Q

De heffing kan in geen geval negatief worden.

Deze overgangsmaatregel geldt enkel voor heffingsjaar 2014. Vanaf heffingsjaar 2015 zal de bovengemeentelijke vergoeding die in 2014 werd gefactureerd door de watermaatschappij in mindering worden gebracht van de heffing 2015. Indien uit deze verrekening met de heffing 2015 blijkt dat teveel bovengemeentelijke vergoeding in 2014 werd betaald, zal de teveel betaalde vergoeding worden terugbetaald door de watermaatschappij.

Onderaan vindt u een voorlopig ontwerp van een berekeningsnota.


Logo Groene webhosting Logo Vlaamse Overheid