De berekening van de heffing op de waterverontreiniging voor ondernemingen, instellingen, verenigingen,...
Bij de berekening van de heffing op de waterverontreiniging wordt een onderscheid gemaakt tussen grootverbruikers en kleinverbruikers. Grootverbruikers verbruiken minstens 500 m³ leidingwater per jaar en/of beschikken over een eigen waterwinning met een pompcapaciteit van minstens 5 m³ per uur. Ondernemingen, instellingen, verenigingen en de meeste landbouwers vallen onder deze categorie. Ze zijn daardoor verplicht om jaarlijks vóór 15 maart een aangifte in te dienen bij de VMM.
De heffing op de waterverontreiniging wordt berekend door het aantal vervuilingseenheden N (VE) te vermenigvuldigen met het eenheidstarief T:
Via de onderstaande inhoudsopgave kunt u gemakkelijk de gewenste informatie raadplegen.
- Een keuze tussen twee berekeningsmethodes
- De berekening op basis van meetgegevens van het geloosde afvalwater
- De berekeningsformule
- De grondslag voor de berekening van uw heffing
- De voorwaarden voor meet- en bemonsteringscampagnes
- Wanneer krijgt u een nullozerstatuut?
- Wanneer kunt u de opgenomen vuilvracht uit oppervlaktewater in mindering brengen?
- Wat gebeurt er wanneer uw vuilvracht tijdens het jaar vermindert?
- De forfaitaire berekening
- De grondslag voor de berekening van uw heffing
- De berekeningsformules
- De berekening op basis van waterverbruik zonder koelwater
- De berekening op basis van waterverbruik met koelwater
- De berekening op basis van waterverbruik en productiegegevens zonder koelwater
- De berekening op basis van waterverbruik en productiegegevens met koelwater
- De omzettingscoëfficiënten
- Te betalen bedrag
Een keuze tussen twee berekeningsmethodes
Voor de vaststelling van het aantal vervuilingseenheden kan elk bedrijf kiezen tussen een berekening op basis van meetgegevens van het geloosde afvalwater of een forfaitaire berekeningsmethode. Opgelet! De VMM kan overgaan tot een heffing op basis van meet- en bemonsteringsgegevens indien de nodige gegevens hiervoor beschikbaar zijn, ongeacht de door u gekozen berekeningsmethode.
Een berekening op basis van de werkelijk geloosde vuilvracht houdt in dat de kwaliteit en de kwantiteit van het geloosde afvalwater moeten worden vastgesteld.
De forfaitaire berekeningsmethode gebruikt sectorspecifieke omzettingscoëfficiënten en het waterverbruik om de heffing te bepalen.
De berekening op basis van meetgegevens van het geloosde afvalwater
Indien uw bedrijf voor een berekening op basis van de werkelijk geloosde vuilvracht (de uitgebreide berekeningsmethode) kiest, moet u in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op eigen initiatief uw afvalwater door een erkend laboratorium laten bemonsteren en analyseren. Dat moet in overeenstemming met de huidige regelgeving gebeuren. Op basis van de meetgegevens berekent de VMM dan de geloosde vuilvracht en de corresponderende heffing.
De VMM kan - in het kader van haar controlefunctie - het geloosde afvalwater ook (laten) bemonsteren. Bij het bepalen van de heffing kan de VMM uw bedrijfsgegevens aanvullen met haar analyses. De VMM-analyses geven uw bedrijf echter niet het recht om de uitgebreide berekeningsmethode te eisen.
De berekening op basis van de werkelijk geloosde vuilvracht wordt meestal gebruikt bij grote bedrijven die zelf investeren in een afvalwaterzuivering. Maar 5 % van de bedrijven laat de heffing op deze manier berekenen. Die 5 % is wel verantwoordelijk voor 65 % van de heffingsopbrengst van de grootverbruikers.
De berekeningsformule
De heffing op de waterverontreiniging wordt berekend door het aantal vervuilingseenheden N (VE) te vermenigvuldigen met het eenheidstarief T:
De vuilvracht (N) bij de uitgebreide berekening bestaat uit vier componenten:
Met:
Door op de componenten door te klikken, krijgt u meer informatie over elke component.
-
N1: zuurstofbindende en zwevende stoffen (d.w.z. biochemisch en chemisch zuurstofverbruik en zwevende stoffen) in het geloosde water (VE)
-
De N1-component gaat over de zuurstofbindende (het biochemisch en chemisch zuurstofverbruik) en de zwevende stoffen in het geloosde water.
N1 = [Qd / 180] x [a + {0,35 x ZS / 500} + {(0,45 x (2 x BZV + CZV)) / 1.350}] x [0,40 + 0,60 x d]Met:
- N1 = vuilvracht veroorzaakt door het lozen van zuurstofbindende en zwevende stoffen (VE)
- a = 0 voor oppervlaktewaterlozers; = 0,2 in alle andere gevallen
- Qd = dagdebiet geloosd afvalwater (l)
- ZS = concentratie aan zwevende stoffen (mg/l)
- BZV = biologisch zuurstofverbruik (mg/l)
- CZV = chemisch zuurstofverbruik (mg/l)
- d = seizoensgebonden factor. Wanneer minder dan 225 kalenderdagen afvalwater geloosd wordt, is deze factor de deling tussen van het aantal dagen waarop afvalwater geloosd wordt en 225.
Bij de berekening van de vuilvracht worden de parameters van de N1-component gekoppeld aan het dagdebiet.
Alleen bemonsteringsgegevens uit de maand met de grootste bedrijvigheid (dus de grootste vervuiling) worden voor de N1-component meegerekend om de hoogte van de heffing te bepalen.
Op basis van de vastgestelde concentraties en het dagdebiet wordt per dag de N1-component berekend. Vervolgens wordt per maand de gemiddelde N1-waarde vastgesteld. Voor het berekenen van de heffing wordt enkel de maand met de hoogste N1-waarde meegerekend.
-
De N2-component gaat over de aanwezige zware metalen in het geloosde water.
N2 = Qj / 1.000 x [ 40 x (Hg) + 10 x (Ag + Cd) + 5 x (Zn + Cu) + 2 x (Ni)+ 1 x (Pb + As + Cr) ]Met:
- N2 = vuilvracht veroorzaakt door het lozen van zware metalen (VE)
- Qj = jaarvolume afvalwater (m³)
- Hg, Ag, Cd, Zn, Cu, Ni, Pb, As, Cr = concentratie aan de verschillende zware metalen (mg/l)
Voor de N2-component worden alle geldige meetresultaten gebruikt om de vuilvracht te bepalen. De parameters van de component worden gekoppeld aan het jaarvolume afvalwater.
Bedrijven met een hoge N2-vuilvracht hebben er dus belang bij om naast de bemonsteringscampagne in de maand van grootste bedrijvigheid ook een of meerdere campagnes te plannen in andere periodes.
-
De N3-component gaat over de aanwezige nutriënten in het geloosde water.
N3 = Qj x (N + P) / 10.000Met:
- N3 = vuilvracht veroorzaakt door het lozen van nutriënten (VE)
- Qj = jaarvolume afvalwater (m³)
- N, P = concentratie aan stikstof en fosfor (mg/l)
Voor de N3-component worden alle geldige meetresultaten gebruikt om de vuilvracht te bepalen. De parameters van de component worden gekoppeld aan het jaarvolume afvalwater.
Bedrijven met een hoge N3-vuilvracht hebben er bijgevolg alle belang bij om, naast de bemonsteringscampagne in de maand van grootste bedrijvigheid, ook een of meerdere campagnes te plannen in andere periodes.
-
De Nk-component gaat over het thermisch verontreinigd koelwater.
Nk = K x 0,0004 x aMet:
- Nk = vuilvracht veroorzaakt door het lozen van thermisch belast koelwater (VE)
- K = koelwatervolume (m³)
- a = 0,550
De grondslag voor de berekening van uw heffing
Uit de componenten van de berekeningsformule blijkt dat bij de berekening van de heffing op basis van meet- en bemonsteringsgegevens het afvalwatervolume en de lozingsplaats de hoogte van de heffing bepalen.
Lozingsplaats
Er geldt een andere grondslag voor oppervlaktewaterlozers en niet-oppervlaktewaterlozers. De a-factor is namelijk enkel voor oppervlaktewaterlozers gelijk aan 0. In alle andere gevallen is deze factor gelijkgesteld aan 0,2. Behoort uw bedrijf tot de categorie niet-oppervlaktewaterlozer, dan verhoogt de N1-component een factor (0,2 x Qd)/180.
Afvalwatervolume
Ook het afvalwatervolume bepaalt, samen met de aanwezige verontreinigende stoffen, de hoogte van de heffing. Om de door u opgegeven afvalwatervolumes te verifiëren, vraagt de VMM via uw aangifte ook de waterverbruiken per waterbron op en controleert die ook. Het waterverbruik is trouwens dikwijls de basis om het afvalwatervolume te bepalen.
Het jaarlijks afvalwatervolume (Qj) wordt bij voorkeur gemeten via een continue debietsregistratie. Het dagdebiet moet tijdens een bemonsteringscampagne via een continu werkend debietregistratiesysteem vastgesteld worden. Is het dagdebiet niet gekend, dan stelt de VMM het dagdebiet gelijk aan het quotiënt van het jaarvolume afvalwater en het aantal lozingsdagen.
Indien het afvalwatervolume (Qj) niet gemeten werd, wordt het volume berekend op basis van de som van:
-
Het leidingwaterverbruik bij de forfaitaire berekeningsmethode wordt bepaald op basis van de factuurgegevens die de drinkwatermaatschappij u stuurde in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.
Dit betekent bijvoorbeeld dat het leidingwaterverbruik vermeld op de facturen die de drinkwatermaatschappij in 2008 opmaakte, in rekening gebracht zullen worden voor de heffing 2009 en dit ongeacht de periode van verbruik. Indien u dus op 1 juli 2008 een factuur kreeg van de drinkwatermaatschappij voor een verbruik van 1.000 m³ in de periode van 1 mei 2007 tot 30 juni 2008, wordt voor de heffing 2009 een verbruik van 1.000 m³ in rekening gebracht.
Bij de uitgebreide berekeningsmethode moet u de geleverde hoeveelheid drinkwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in rekening brengen.
-
Het grondwater dat in het voorbije jaar verbruikt werd, wordt bepaald met een continue debietsregistratie. De debietsregistratie is verplicht.
Indien u geen debietsregistratiesysteem heeft, wordt de vergunde hoeveelheid grondwater (uitgedrukt in m³/jaar) genomen. Als uw vergunning enkel dagdebieten vermeldt, wordt het vergund dagdebiet (m³/dag) vermenigvuldigd met 220 of, in het geval van seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur, het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik is geweest.
Indien u geen debietsregistratiesysteem heeft, u geen vergunning hebt of de vergunning het vergunde debiet niet vermeldt, wordt het grondwaterverbruik per pomp gelijkgesteld aan het product van het nominaal pompvermogen (uitgedrukt in m³/uur) en de factor T. Met T:
- = 200 voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit;
- = 10 x het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur;
- = 2.000 in de overige gevallen.
-
Het oppervlaktewater dat in het voorbije jaar verbruikt werd, wordt bij voorkeur bepaald met een continue debietsregistratie.
Indien u geen debietsregistratiesysteem heeft, wordt de hoeveelheid gelijkgesteld aan het gecapteerde volume water dat in aanmerking wordt genomen voor de oppervlaktewatercaptatieheffing.
Bij captaties uit:
- onbevaarbare oppervlaktewateren, niet gemeten met een debietsregistratie en
- captaties uit bevaarbare waterlopen, kanalen en havens van minder dan 500 m³
wordt de hoeveelheid oppervlaktewater gelijkgesteld aan het product van het nominaal pompvermogen (uitgedrukt in m³/uur) en de factor T. Met T:
- = 200 voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit;
- = 10 x het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur;
- = 2.000 in de overige gevallen.
-
Het heffingsplichtige hemelwater is:
- het hemelwater dat op een vervuild bedrijfsterrein valt en waarvoor:
- of een vergunning voor het lozen van vervuild hemelwater werd afgeleverd;
- of een proces-verbaal wegens onvergunde lozing werd opgesteld;
- het hemelwater dat wordt gebruikt in het productieproces.
- het hemelwater dat samen met het afvalwater geloosd wordt
Het hemelwater dat in het voorbije jaar verbruikt werd, wordt bij voorkeur vastgesteld met een continue debietsregistratie. Als u geen dergelijk systeem heeft, wordt de hoeveelheid gelijkgesteld aan 0,8 m³/m² afspoelbare of vervuilde oppervlakte. Wanneer u kunt aantonen met gegevens van het KMI dat de lokale neerslag in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar lager was, wordt dat lagere volume gebruikt.
-
en verminderd met de hoeveelheid koelwater die niet samen met het afvalwater wordt geloosd.
-
Het koelwatervolume (K) gaat over het vergunde koelwatervolume, tenzij het bedrijf met een debietmeting kan bewijzen dat de werkelijk geloosde hoeveelheid koelwater kleiner is.
Als het koelwater samen met het bemonsterde afvalwater wordt geloosd, wordt het beschouwd als bedrijfsafvalwater.
Niet vergund koelwater valt onder de sector 55 'niet hoger vermelde bedrijfsactiviteiten' of onder de bedrijfssector als dat leidt tot een lagere heffing.
Als de geloosde hoeveelheid koelwater groter is dan het vergunde volume, wordt de heffing op het niet-vergunde gedeelte van het koelwater verrekend onder sector 55 of onder de bedrijfssector als dat resulteert in een lagere heffing.
Alle vormen van waterverbruik, zoals het gebruik van grondwater,
oppervlaktewater, hemelwater en ander water, uitgezonderd het gebruik
van leidingwater, kan ook samengevat worden onder de term
'waterverbruik uit eigen waterwinning'.
De voorwaarden voor meet- en bemonsteringscampagnes
Als uw bedrijf kiest voor de uitgebreide berekeningsmethode, moet een erkend laboratorium uw afvalwater meten en analyseren. De voorwaarden waaraan een monstername moet voldoen, staan in het Besluit van 28 juni 2002. Enkel meet- en bemonsteringsgegevens over het geloosde afvalwater/opgenomen oppervlaktewater uit het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar en die volgens het uitvoeringsbesluit werden bekomen, komen in aanmerking voor de berekening van de heffing.
De voorwaarden zijn:
- uiterlijk 10 werkdagen voor het begin van de maand waarin de bemonsteringen uitgevoerd zullen worden, moet u de bemonsteringscampagne schriftelijk melden aan de VMM. VMM beantwoordt uw melding altijd met een ontvangstmelding;
- de bemonstering van het afvalwater en de analyse van de monsters moeten door hetzelfde erkende laboratorium gebeuren;
- de bemonstering van het afvalwater moet minstens in de maand met de hoogste bedrijvigheid gebeuren. De bemonstering moet gedurende drie (als de laatste heffing kleiner is dan 12.500 euro) of vijf (als de laatste heffing groter is dan 12.500 euro) opeenvolgende etmalen met normale productieactiviteit gebeuren. Alle parameters moeten bovendien per etmaal volledig zijn.
- u moet de analysegegevens van de monsters en de eventuele tegenmonsters binnen de dertig werkdagen na de eerste dag van de monstername aan de VMM meedelen met een meldingsformulier (zie menupunt 'Formulieren'). De contra-analyses moeten ook per etmaal volledig zijn voor alle parameters.
Het laten analyseren van tegenstalen volstaat echter niet om aanspraak te kunnen maken op de uitgebreide berekeningsmethode. - u moet de meet- en bemonsteringsresultaten bij uw aangifte voegen.
De opgesomde voorwaarden gelden ook voor de bemonsteringen van het opgenomen oppervlaktewater. Een schepmonster van het opgenomen oppervlaktewater, genomen tijdens de bemonsteringscampagne van het geloosde afvalwater, volstaat.
De bemonsteringscampagnes die de VMM ter controle kan uitvoeren, moeten ook aan deze voorwaarden voldoen, met uitzondering van de voorafgaande melding.
Wanneer krijgt u een nullozersstatuut?
Wanneer vanuit het productieproces van uw bedrijf geen afvalwater geloosd wordt, krijgt uw bedrijf het statuut van ’nullozer’. Uw bedrijf moet wel aan de volgende criteria voldoen:
- de niet-lozing moet een feit zijn op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;
- op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar mag uw bedrijf geen milieu- of lozingsvergunning (meer) hebben voor ander dan normaal huishoudelijk afvalwater;
- u moet de nullozing kunnen bewijzen met een rapport van een erkend milieudeskundige. Dat rapport moet u bij uw aangifte voegen. De lijsten van de erkende m.e.r.-deskundigen in de discipline water vindt u op de website van het departement LNE.
- de bevoegde administratie mag in de loop van dat jaar geen lozingen uit het productieproces vastgesteld hebben.
Dus enkel bedrijven:
- die vanaf 1 januari 2010 geen afvalwater uit het productieproces lozen;
- die op 1 januari 2010 geen milieuvergunning hebben voor het lozen van ander dan normaal huishoudelijk afvalwater;
- waarvoor de bevoegde administraties in de loop van 2010 geen lozingen van afvalwater uit het productieproces vaststelden;
- en die bij hun aangifte 2011 een dossier waaruit de niet-lozing blijkt, opgesteld door een erkend milieudeskundig, voegen;
kunnen voor het heffingsjaar 2011 het nullozersstatuut krijgen.
Ook bedrijven die geen afvalwater uit hun productieproces lozen, maar wel sanitair afvalwater lozen, komen in aanmerking voor het statuut van nullozer. Ze betalen enkel een heffing op hun sanitair waterverbruik.
Ten vroegste op 1 januari 2012 wijzigen de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het nullozerstatuut (wet afvalwaterheffing art. 35ter §4). Daarvoor moet eerst een wetswijziging aan hoofdstuk IIIbis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning in werking treden.
Wanneer kunt u de opgenomen vuilvracht uit oppervlaktewater in mindering brengen?
Bedrijven die hun afvalwater - geheel of gedeeltelijk - lozen in hetzelfde oppervlaktewater als dat waaruit ze hun water halen, kunnen de opgenomen vuilvracht in mindering brengen. De voorwaarden zijn wel dat:
- zowel het afvalwater als het opgenomen oppervlaktewater bemonsterd wordt op initiatief van het bedrijf;
- de meet- en bemonsteringen gebeuren volgens de geldende wetgeving.
De formule voor de berekening van de opgenomen vuilvracht No is, met uitzondering van de a-factor uit de N1-formule, gelijk aan die van de geloosde vuilvracht:
Met:
- N1,o = [Qd,o / 180] x [{0,35 x ZSo / 500} + {(0,45 x (2 x (BZVo + CZVo)) / 1.350}] x [0,40 + 0,60xd]
- N2,o = Qj,o / 1.000 x [40 x (Hgo) + 10 x (Ago + Cdo) + 5 x (Zno + Cuo) + 2 x (Nio) + 1 x (Pbo + Aso + Cro)]
- N3,o = Qj,o x (No + Po) / 10.000
En:
- N1,o = vuilvracht door het opnemen van zuurstofbindende (BOD, COD) en zwevende stoffen (VE)
- N2,o = vuilvracht door het opnemen van zware metalen (kwik, zilver, cadmium, zink, lood, koper, nikkel, chroom, arseen) (VE)
- N3,o = vuilvracht door het opnemen van nutriënten (N en P) (VE)
- Qd,o = dagdebiet opgenomen oppervlaktewater (l)
- ZSo = concentratie zwevende stoffen (mg/l)
- BZVo = biologisch zuurstofverbruik (mg/l)
- CZVo = chemisch zuurstofverbruik (mg/l)
- Qj,o = jaarvolume opgenomen oppervlaktewater (m³)
- Hgo - Ago - Cdo - Zno - Cuo - Nio - Pbo - Aso - Cro = concentratie aan de verschillende zware metalen (mg/l)
- No = concentratie stikstof (mg/l)
- Po = concentratie fosfor (mg/l)
De aftrek van de opgenomen vuilvracht wordt per component beperkt tot de geloosde vuilvracht.
Wat gebeurt er wanneer uw vuilvracht tijdens het jaar vermindert?
Bedrijven die in de loop van het jaar maatregelen nemen (bv. een investering in een milieuvriendelijker productieproces of een zuiveringsinstallatie) om hun geloosde vuilvracht blijvend te verminderen en dat kunnen bewijzen, kunnen een vermindering krijgen van de heffing. Het Programmadecreet van 22 december 2000 regelt namelijk dat voor dergelijke bedrijven de heffing evenredig opgesplitst wordt.
Het bewijs kunt u leveren door metingen uit te voeren op het afvalwater geloosd in de periode voor en na het doorvoeren van de aanpassing. U moet de geplande maatregelen ook tijdig (= minstens een maand voor het doorvoeren van de wijziging) schriftelijk aan de VMM melden.
Bedrijven die hun afvalwater enkel in de periode voor de realisatie van de maatregelen laten analyseren, krijgen geen opsplitsing.
Bedrijven die hun afvalwater enkel na de realisatie van de vuilvrachtvermindering laten analyseren, krijgen wel een opsplitsing van de heffingsberekening. Ze krijgen een forfaitaire berekening voor de periode voor de aanpassing en een berekening op basis van analyses voor de periode na de aanpassing.
De forfaitaire berekening
Bedrijven die voor de forfaitaire berekeningsmethode kiezen, moeten in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen specifieke acties ondernemen. De forfaitaire berekeningsmethode maakt, om de vervuilingseenheden (N) te bepalen, immers gebruik van activiteitsgebonden omzettingscoëfficiënten. Die worden gekoppeld aan het waterverbruik en (afhankelijk van de sector) eventueel aan de productiegegevens. Of de productiegegevens al dan niet van belang zijn voor de berekening van de heffing is afhankelijk van de grondslag waarop de omzettingscoëfficiënt betrekking heeft. De grondslag duidt ook de eenheid aan waarin de productiegegevens uitgedrukt moeten worden.
Voor 95 % van de bedrijven wordt de heffing op deze manier berekend. Het gaat meestal om bedrijven die hun afvalwater niet zelf zuiveren of om bedrijven die geen sterk vervuilende activiteiten hebben.
De grondslag voor de berekening van uw heffing
Bij de berekening van de heffing op een forfaitaire basis bepalen het waterverbruik en eventueel de productiegegevens de hoogte van de heffing.
Waterverbruik
Wanneer u kiest voor de forfaitaire berekeningsmethode is het waterverbruik de heffingsgrondslag en niet het geloosde afvalwatervolume.
Het waterverbruik (Q) wordt berekend op basis van de som van:
-
Het leidingwaterverbruik bij de forfaitaire berekeningsmethode wordt bepaald op basis van de factuurgegevens die de drinkwatermaatschappij u stuurde in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.
Dit betekent bijvoorbeeld dat het leidingwaterverbruik vermeld op de facturen die de drinkwatermaatschappij in 2008 opmaakte, in rekening gebracht zullen worden voor de heffing 2009 en dit ongeacht de periode van verbruik. Indien u dus op 1 juli 2008 een factuur kreeg van de drinkwatermaatschappij voor een verbruik van 1.000 m³ in de periode van 1 mei 2007 tot 30 juni 2008, wordt voor de heffing 2009 een verbruik van 1.000 m³ in rekening gebracht.
Bij de uitgebreide berekeningsmethode moet u de geleverde hoeveelheid drinkwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in rekening brengen.
-
Het grondwater dat in het voorbije jaar verbruikt werd, wordt bepaald met een continue debietsregistratie. De debietsregistratie is trouwens verplicht.
Indien u geen debietsregistratiesysteem heeft, wordt de vergunde hoeveelheid grondwater (uitgedrukt in m³/jaar) genomen. Als uw vergunning enkel dagdebieten vermeldt, wordt het vergund dagdebiet (m³/dag) vermenigvuldigd met 220 of, in het geval van seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur, het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik is geweest.
Indien u geen debietsregistratiesysteem heeft, u geen vergunning hebt of de vergunning het vergunde debiet niet vermeldt, wordt het grondwaterverbruik per pomp gelijkgesteld aan het product van het nominaal pompvermogen (uitgedrukt in m³/uur) en de factor T. Met T:
- = 200 voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit;
- = 10 x het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur;
- = 2.000 in de overige gevallen.
-
Het oppervlaktewater dat in het voorbije jaar verbruikt werd, wordt bij voorkeur bepaald met een continue debietsregistratie.
Indien u geen debietsregistratiesysteem heeft, wordt de hoeveelheid gelijkgesteld aan het gecapteerde volume water dat in aanmerking wordt genomen voor de oppervlaktewatercaptatieheffing.
Bij captaties uit:
- onbevaarbare oppervlaktewateren, niet gemeten met een debietsregistratie en
- captaties uit bevaarbare waterlopen, kanalen en havens van minder dan 500 m³
wordt de hoeveelheid oppervlaktewater gelijkgesteld aan het product van het nominaal pompvermogen (uitgedrukt in m³/uur) en de factor T. Met T:
- = 200 voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit;
- = 10 x het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur;
- = 2.000 in de overige gevallen.
-
Het heffingsplichtige hemelwater is:
- het hemelwater dat op een vervuild bedrijfsterrein valt en waarvoor:
- of een vergunning voor het lozen van vervuild hemelwater werd afgeleverd;
- of een proces-verbaal wegens onvergunde lozing werd opgesteld;
- het hemelwater dat wordt gebruikt in het productieproces.
- het hemelwater dat samen met het afvalwater geloosd wordt
Het hemelwater dat in het voorbije jaar verbruikt werd, wordt bij voorkeur vastgesteld met een continue debietsregistratie. Als u geen dergelijk systeem heeft, wordt de hoeveelheid gelijkgesteld aan 0,8 m³/m² afspoelbare of vervuilde oppervlakte. Wanneer u kunt aantonen met gegevens van het KMI dat de lokale neerslag in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar lager was, wordt dat lagere volume gebruikt.
-
Het koelwatervolume (K) gaat over het vergunde koelwatervolume, tenzij het bedrijf met een debietmeting kan bewijzen dat de werkelijk geloosde hoeveelheid koelwater kleiner is.
Als het koelwater samen met het bemonsterde afvalwater wordt geloosd, wordt het beschouwd als bedrijfsafvalwater.
Niet vergund koelwater valt onder de sector 55 'niet hoger vermelde bedrijfsactiviteiten' of onder de bedrijfssector als dat leidt tot een lagere heffing.
Als de geloosde hoeveelheid koelwater groter is dan het vergunde volume, wordt de heffing op het niet-vergunde gedeelte van het koelwater verrekend onder sector 55 of onder de bedrijfssector als dat resulteert in een lagere heffing.
Alle vormen van waterverbruik, zoals het gebruik van grondwater, oppervlaktewater, regen-/hemelwater en ander water, uitgezonderd het gebruik van leidingwater, kan ook samengevat worden onder de term 'waterverbruik uit eigen waterwinning'.
Productiegegevens
Of de productiegegevens al dan niet van belang zijn voor de berekening van de heffing is afhankelijk van de grondslag van de omzettingscoëfficiënt. De sectoren waarvoor de productiegegevens in rekening gebracht worden bij het bepalen van de heffing, zijn, samen met de bijhorende grondslag, opgenomen in de tabel grondslag productiegegevens. De grondslag duidt de eenheid aan waarin de productiegegevens uitgedrukt moeten worden.
-
Een groentewasserij verwerkt enkel wortelen. Het bedrijf behoort tot sector 20 'groentewasserijen' met als grondslag 10.000 kg wortelen en 1.000 kg zilveruien. Bij het berekenen van de heffing moet het aantal wortelen uitgedrukt worden in kg (bv. 10.000 kg wortelen). De grondslag A/B wordt dan 10.000 kg wortelen/1.000 kg wortelen.
De berekeningsformules
De berekening op basis van waterverbruik zonder koelwater
Deze berekeningswijze wordt toegepast voor de bedrijven die tot de sectoren 3, 4, 6, 8a, 8b, 9, 12, 13, 15, 18, 21a, 21b, 23, 24, 25, 26, 27, 28a, 28b, 28c, 28d, 28e, 32, 33, 36, 38, 40, 45a, 45b, 45c, 46, 50, 51b, 54, 55, 56 of 57 behoren. Ze mogen ook geen vergunning voor het lozen van koelwater hebben.
Met:
- H = heffingsbedrag in euro
- T = eenheidstarief (euro/VE)
- N = vuilvracht (VE)
Met:
- Q = waterverbruik (m³)
- C1, C2, C3 = omzettingscoëfficiënt
-
Hier krijgt u een voorbeeld voor de berekening van de heffing 2009.
-
Een hotel heeft op 1 juli 2008 een factuur gekregen van de drinkwatermaatschappij voor een verbruik van 3.000 m³ in de periode van 1 mei 2007 tot 30 juni 2008. Daarnaast heeft het hotel in 2008 1.000 m³ grondwater opgepompt.
Het totale waterverbruik (Q) bedraagt dan 3.000 m³ leidingwater + 1.000 m³ grondwater = 4.000 m³ water.
De activiteit ‘hotel’ behoort tot sector 21a. De omzettingscoëfficiënt voor deze sector bedraagt: C1+C2+C3 = 0,03.
De vuilvracht (N) is bijgevolg gelijk aan 4.000 m³ x 0,03 = 120 VE.
De heffing 2009 (H) bedraagt:
- voor oppervlaktewaterlozers: 120 VE x 30,83 euro/VE = 3.699,60 euro;
- voor niet-oppervlaktewaterlozers (onder andere rioollozers en diffuse lozers): 120 VE x 40,23 euro/VE = 4.827,60 euro.
De berekening op basis van waterverbruik met koelwater
Deze berekeningswijze wordt toegepast voor de bedrijven die tot de sectoren 3, 4, 6, 8a, 8b, 9, 12, 13, 15, 18, 21a, 21b, 23, 24, 25, 26, 27, 28a, 28b, 28c, 28d, 28e, 32, 33, 36, 38, 40, 45a, 45b, 45c, 46, 50, 51b, 54, 55, 56 of 57 behoren. Ze hebben een vergunning voor het lozen van koelwater.
Met:
- H = heffingsbedrag in euro
- T = eenheidstarief (euro/VE)
- N = vuilvracht (VE)
Met:
- Q = waterverbruik (m³)
- K = koelwatervolume (m³)
- C1, C2, C3 = omzettingscoëfficiënt
- a = 0,550
-
Hier krijgt u een voorbeeld voor de berekening van de heffing 2009.
-
Een elektriciteitscentrale heeft op 1 juli 2008 een factuur gekregen van de drinkwatermaatschappij voor een verbruik van 3.000 m³ in de periode van 1 mei 2007 tot 30 juni 2008. Daarnaast heeft de elektriciteitscentrale in 2008 1.000 m³ grondwater opgepompt en een koelwaterverbruik van 2.000 m³.
Het totale waterverbruik (Q) bedraagt dan 3.000 m³ leidingwater + 1.000 m³ grondwater = 4.000 m³ water. Het koelwatervolume (K) bedraagt 2.000 m³.
De activiteit elektriciteitscentrale behoort tot sector 12. De omzettingscoëfficiënt voor deze sector bedraagt: C1+C2+C3 = 0,031.
De vuilvracht (N) is bijgevolg gelijk aan ((4.000 m³ - 2.000 m³) x 0,031) + (2.000 m³ x 0,0004 x 0,550) = 62,44 VE.
De heffing 2009 (H) bedraagt:
- voor oppervlaktewaterlozers: 62,44 VE x 30,83 euro/VE = 1.925,03 euro;
- voor niet-oppervlaktewaterlozers (onder andere rioollozers en diffuse lozers): 62,44 VE x 40,23 euro/VE = 2.511,96 euro.
De berekening op basis van waterverbruik en productiegegevens zonder koelwater
Deze berekeningswijze wordt toegepast voor de bedrijven die tot de sectoren 1, 2, 5a, 5b, 7, 10, 11, 14, 16, 17, 19, 20, 22a, 22b, 22c, 22d, 22e, 29, 30, 31, 34, 35, 37, 39a, 39b, 39c, 41a, 41b, 42, 43, 44, 45d, 47, 48, 49a, 49b, 51a, 52, 53a, 53b behoren. Ze mogen geen vergunning hebben voor het lozen van koelwater.
Met:
- H = heffingsbedrag in euro
- T = eenheidstarief (euro/VE)
- N = vuilvracht (VE)
Met:
- Q = waterverbruik (m³)
- A/B = productie (grondslag)
- C1, C2, C3 = omzettingscoëfficiënt
-
Hier krijgt u een voorbeeld voor de berekening van de heffing 2009.
-
Een chocoladefabriek heeft op 1 juli 2008 een factuur gekregen van de drinkwatermaatschappij voor een verbruik van 3.000 m³ in de periode van 1 mei 2007 tot 30 juni 2008. Daarnaast heeft het bedrijf in 2008 1.000 m³ grondwater opgepompt. De fabriek heeft in 2008 100.000 kg product gebruikt bij de productie.
Het totale waterverbruik (Q) bedraagt dan 3.000 m³ leidingwater + 1.000 m³ grondwater = 4.000 m³ water.
De activiteit chocoladefabriek behoort tot sector 7. De omzettingscoëfficiënt voor deze sector bedraagt:
- C1 = 0,29 (grondslag 1.000 kg gebruikt product);
- C2 = 0,001 (grondslag m³ water);
- C3 = 0,009 (grondslag m³ water).
De vuilvracht (N) is bijgevolg gelijk aan ((100.000 kg / 1.000 kg) x 0,29) + (4.000 m³ x 0,01) = 69 VE.
De heffing 2009 (H) bedraagt:
- voor oppervlaktewaterlozers: 69 VE x 30,83 euro/VE = 2.127,27 euro;
- voor niet-oppervlaktewaterlozers (onder andere rioollozers en diffuse lozers): 69 VE x 40,23 euro/VE = 2.775,87 euro.
De berekening op basis van waterverbruik en productiegegevens met koelwater
Deze berekeningswijze wordt toegepast voor de bedrijven die tot de sectoren 1, 2, 5a, 5b, 7, 10, 11, 14, 16, 17, 19, 20, 22a, 22b, 22c, 22d, 22e, 29, 30, 31, 34, 35, 37, 39a, 39b, 39c, 41a, 41b, 42, 43, 44, 45d, 47, 48, 49a, 49b, 51a, 52, 53a, 53b behoren. Ze hebben een vergunning voor het lozen van koelwater.
Met:
- H = heffingsbedrag in euro
- T = eenheidstarief (euro/VE)
- N = vuilvracht (VE)
Met:
- Q = waterverbruik (m³)
- A/B = productie (grondslag)
- K = koelwatervolume (m³)
- C1, C2, C3 = omzettingscoëfficiënt
- a = 0,550
-
Hier krijgt u een voorbeeld voor de berekening van de heffing 2009.
-
Een chocoladefabriek heeft op 1 juli 2008 een factuur gekregen van de drinkwatermaatschappij voor een verbruik van 3.000 m³ in de periode van 1 mei 2007 tot 30 juni 2008. Daarnaast heeft het bedrijf in 2008 1.000 m³ grondwater opgepompt. De fabriek heeft in 2008 100.000 kg product gebruikt bij de productie.
Het totale waterverbruik (Q) bedraagt dan 3.000 m³ leidingwater + 1.000 m³ grondwater = 4.000 m³ water. Het koelwatervolume (K) bedraagt 2.000 m³.
De activiteit chocoladefabriek behoort tot sector 7. De omzettingscoëfficiënt voor deze sector bedraagt:
- C1 = 0,29 (grondslag 1.000 kg gebruikt product);
- C2 = 0,001 (grondslag m³ water);
- C3 = 0,009 (grondslag m³ water).
De vuilvracht (N) is dus gelijk aan ((100.000 kg / 1.000 kg) x 0,29) + ((4.000 m³ - 2.000 m³) x 0,01) + (2.000 m³ x 0,0004 x 0,550) = 49,44 VE.
De heffing 2009 (H) bedraagt:
- voor oppervlaktewaterlozers: 49,44 VE x 30,83 euro/VE = 1.524,24 euro;
- voor niet-oppervlaktewaterlozers (onder andere rioollozers en diffuse lozers): 49,44 VE x 40,23 euro/VE = 1.988,97 euro.
De omzettingscoëfficiënten
De activiteit van het bedrijf bepaalt met welke omzettingscoëfficiënten het waterverbruik en eventueel de productiegegevens vermenigvuldigd worden. Hoe meer vervuiling de bedrijfstak veroorzaakt, hoe hoger de coëfficiënten en hoe hoger de heffing.
De wetgever bepaalt de omzettingcoëfficiënten voor een aantal specifieke sectoren. Sector 55 omvat alle bedrijfsactiviteiten die niet thuishoren in een specifiek omschreven bedrijfsactiviteit, plus het sanitair waterverbruik van de werknemers. Sector 56 gaat uitsluitend over huishoudelijke activiteiten.
De C1, C2, C3- waarden zijn per sector terug te vinden in de tabel omzettingscoëfficiënten.
Te betalen bedrag
Het Programmadecreet van 24 december 2004 zorgde ervoor dat de berekende heffing op basis van de forfaitaire of uitgebreide berekening verminderd wordt met:
- de bovengemeentelijke saneringsbijdrage, exclusief BTW, aangerekend door de openbare waterdistributiemaatschappij (zie menupunt 'FAQ');
- de vergoeding voor de bovengemeentelijke sanering, exclusief BTW, aangerekend door Aquafin NV (zie menupunt 'FAQ').
Meer informatie over de saneringscontracten met NV Aquafin vindt u op de website van de VMM.
Een overzicht van de bedragen die in mindering worden gebracht van de te betalen heffing vindt u terug op de berekeningsnota die u samen met het heffingsbiljet ontvangt.
Hier krijgt u een voorbeeld van een dergelijke berekeningsnota.